Hyperthyroide katten

Wat is hyperthyroïdie?

De schildklieren van de kat zijn 2 kleine klieren net langs de luchtpijp in de hals. Ze produceren schildklierhormonen, die de stofwisseling van de kat regelen.

Eén van de meest voorkomende hormonale problemen bij ouder wordende katten, is de overproductie van schildklierhormoon. In de meeste gevallen wordt dit veroorzaakt door een goedaardig gezwel (adenoma). Anders dan bij honden komen bij katten slechts zelden kwaadaardige gezwellen van de schildklier voor. Nochtans moet de overproductie van schildklierhormoon behandeld worden, omdat het schadelijke gevolgen kan hebben voor de kat.

De meest voorkomende symptomen zijn een verhoogde eetlust (bedelen of zelfs eten stelen) en vermageren. Omdat de kat nog goed eet, lijkt ze niet meteen ziek te zijn.  Door de hyperthyroïdie heeft ze echter veel meer energie nodig, wat de kat probeert te compenseren door meer te eten. Als dit nog niet voldoende is, zal ze haar vetreserves, en uiteindelijk ook de spieren 'verbranden' als energiebron. 

Andere tekenen die regelmatig voorkomen zijn frequenter braken, meer drinken en bijgevolg meer plassen, meer aandacht zoeken, onrustiger of zelfs agressiever  gedrag vertonen, een hoge hartslag en / of een slecht verzorgde vacht.

Geen van deze symptomen zijn echter exclusief voor hyperthyroïdie, en kunnen ook door andere ziekten veroorzaakt worden. Ook afwezigheid van deze symptomen wil niet zeggen dat de kat geen hyperthyroïdie kan hebben. Een minderheid van de katten vertoont eerder atypische symptomen, zoals verminderde eetlust of slomer en suffer worden.

Een bezoek aan de dierenarts is dan ook noodzakelijk voor de diagnose van hyperthyroïdie.

 

Wat zijn de behandelingsmogelijkheden van hyperthyroïdie bij de kat?

 

1. Schildklierremmende medicatie (Felimazole, Thiafeline, Carbimazole,...)

Schildklierremmende medicatie kan voor veel katten een oplossing bieden. Om een optimale werking van de medicatie te verkrijgen, dient u de medicatie 1 of  2 keer per dag te geven, voor de rest van hun leven. Sommige katten laten dit niet goed toe, of braken de medicatie later weer uit, waardoor deze behandeling niet goed zal werken.

Er kunnen bovendien ook erge of minder erge neveneffecten optreden. Dit gebeurt meestal binnen de eerste weken tot maanden van de therapie. De meest voorkomende bijwerkingen  zijn erge jeuk, vooral aan het hoofd, of maagdarmklachten (frequent braken, verminderde eetlust, diarree). Na het stoppen van de schildklierremmers verdwijnen deze klachten redelijk snel. Ergere bijwerkingen kunnen de rode en witte bloedcellen aantasten, leverproblemen of beenmergonderdrukking veroorzaken.

Hoe werkt de medicatie?

Schildklierremmende medicatie zal de schildklier die te snel werkt niet genezen, maar zal ervoor zorgen dat de hormoonproductie onder controle blijft. Het is belangrijk om dit onderscheid te maken, omdat de aandoening zich kan uitbreiden in de loop van de tijd, wat betekent dat er regelmatig moet gecontroleerd worden of u nog de juiste dosis geeft. Dit kan gebeuren aan de hand van een bloedonderzoek. Bovendien kan het schildkliergezwel toenemen in omvang. Bij sommige katten zal dit zo groot worden dat het op de luchtpijp of slokdarm drukt en zo hoesten of slikproblemen veroorzaken. Bovendien kan de hyperthyroïdie zover evolueren dat ze niet meer te controleren is met medicatie.

 

2. Chirurgie

Chirurgie kan een efficiënte behandeling zijn, maar heeft ook nadelen. Ten eerste zijn hyperthyroïde katten gemiddeld genomen al eerder katten op leeftijd, waardoor het risico van een anesthesie groter wordt. Bovendien gaat hyperthyroïdie vaak samen met hartproblemen, wat minder gunstig is voor een anesthesie.

Wanneer de beide schildklieren verwijderd worden, bestaat de kans dat ook de bijschildklieren worden verwijderd. Deze zijn nodig voor het regelen van de calciumhuishouding. Verwijdering van deze bijschildklieren leidt tot een tekort aan calcium in het bloed. In dat geval moet uw kat mogelijk levenslang calciumsupplementen krijgen, in erge gevallen is het een levensbedreigende aandoening.

Tenslotte bestaat de kans dat er nog schildklierweefsel achterblijft na de operatie, waardoor de hyperthyroïdie blijft bestaan. Microscopische haardjes schildklierweefsel kunnen achterblijven in de hals, en bij ongeveer 10% van de patiënten is er ook schildklierweefsel aanwezig in de borstkas, wat niet chirurgisch kan verwijderd worden.

Mocht u toch chirurgie overwegen is het te zeerste aangeraden om minstens een diagnostische schildklierscan te laten maken. Op die manier kan de exacte locatie van het hyperactieve schildklierweefsel bepaald worden.

 

3. Jodium-arm dieet (Hill's Prescription Y/D):

Voor de aanmaak van schildklierhormoon hebben zowel de normale als de overactieve  schildklieren jodium nodig, dat uit het voedsel wordt geabsorbeerd. Het principe van het jodium-arme dieet is om de hoeveelheid jodium dat ter beschikking is in de voeding te beperken tot wat noodzakelijk is om een normale hoeveelheid schildklierhormoon aan te maken.

Deze aanpak zal de hoeveelheid schildklierhormoon normaliseren, maar net zoals bij de schildklierremmende medicatie wordt de oorzaak van het probleem niet aangepakt.

Het is belangrijk om dit onderscheid te maken, omdat de aandoening zich na verloop van tijd kan uitbreiden en in omvang toenemen. Bij sommige katten kan het zo groot worden dat het op de luchtpijp of slokdarm drukt en zo hoesten of slikproblemen veroorzaken.

Wanneer u kiest voor het geven van dit dieet, is het erg belangrijk dat dat het enige voer is dat de kat eet. Een hapje tussendoor of een snoepje als verwennerij zijn uit den boze! Katten die buiten komen zijn vaak ook moeilijker te behandelen met het dieet, omdat ze buiten mogelijks ook andere dingen eten. Bovendien kan dit dieet niet gecombineerd worden met andere dieetvoeders, zoals bijvoorbeeld een niersparend dieet. In een huisgezin met meerdere katten is het niet aangeraden om de andere katten van het gezin (zonder schildklierproblemen) ook dit dieet te geven.

 

4. Behandeling met radioactief jood (radiojoodtherapie)

Zoals gezegd heeft de schildklier jodium nodig om te functioneren. Normaal wordt het meeste jodium uit de voeding gehaald, maar de schildklier kan ook jodium opnemen dat ingespoten wordt (onderhuids of via een intraveneuze katheter). Bovendien maakt de schildklier geen onderscheid tussen gewoon jodium of radioactief jodium. Ook de schildkliergezwellen van poezen met hyperthyroïdie gaan dit jood opnemen, zelfs in hogere mate dan normaal schildklierweefsel. Wanneer de hyperthyroïde kat radioactief jodium (in dit geval: 131I) toegediend krijgt, stapelt dit op in de overactieve schildklier. Hier zal het radioactieve jodium zijn radioactiviteit verliezen door straling af te geven. Een deel van de straling (de zogenaamde bèta‐partikels) zal heel lokaal afgegeven worden, waardoor de aangetaste schildkliercellen vernietigd worden. Op deze manier wordt alleen het overactieve schildklierweefsel behandeld, en blijft het normale weefsel gespaard. Ook de bijschildklieren die buiten de schildklier liggen blijven ongedeerd.

Een ander deel van de straling, de gammastralen, verlaat de kat wel, en is de straling waar we als dierenarts of eigenaar het meeste aan worden blootgesteld.

Het deel van het radioactieve jodium dat niet door de schildklier opgenomen wordt, zal uit het lichaam verwijderd worden via urine, ontlasting en speeksel.

Het grote voordeel van deze behandeling is dat er geen ingrijpende handelingen nodig zijn (zoals bij chirurgie), dat er slechts een korte kalmering of sedatie nodig is (voor de diagnostische scan) en dat het voor het merendeel van de patiënten over een éénmalige behandeling gaat (ipv dagelijkse medicatie). Bovendien wordt ook het extra of ectopische weefsel (dat zich in de borstkas kan bevinden) mee behandeld.

Nadeel van de behandeling is dat uw kat enkele dagen moet gehospitaliseerd worden omwille van de radioactiviteit, en dat er ook nog maatregelen te volgen zijn na thuiskomst van de radioactiviteit (zie verder).

 

Wat moet er gebeuren voor de radiojoodbehandeling?

 

De diagnose van hyperthyroïdie wordt bij uw dierenarts gesteld aan de hand van een bloedonderzoek. Sommige patiënten hebben al een langere voorgeschiedenis van hyperthyroïdie en zullen al meerdere bloedonderzoeken hebben gehad. Om het maken van de afspraak zo vlot mogelijk te laten verlopen, moeten deze onderzoeken en het patiëntendossier van de poes aan ons doorgestuurd worden.

Welke onderzoeken zijn nodig?

  • Een volledig hematologisch en biochemisch bloedonderzoek met totaal thyroxine (TT4).
  • Bij voorkeur ook een urineonderzoek, zeker bij poezen met een vermoeden van nierproblemen.
  • Als er  een  bijgeruis (souffle) van het  hart of een onregelmatig hartritme wordt vastgesteld,  is het aangeraden om  een echografie van het hart te laten doen. Dit kan bij uw dierenarts of bij ons gebeuren. Hartproblemen hangen vaak samen met hyperthyroïde. Vaak is het een tijdelijk en voorbijgaand probleem, in andere gevallen is het nodig om (tijdelijk) medicatie te geven om het hart te ondersteunen.
  • Bij sommige patiënten is een echografie van de buik aangewezen, om onderliggende problemen of gelijktijdige andere ziektes op te sporen. Of een echografie nodig is, kunnen we deels beoordelen aan de hand van de bloedonderzoeken en het klinische onderzoek van de poes. Een echografie van de buik kan bij uw dierenarts gebeuren of bij ons.

Hoe verloopt het verder voor mijn kat?

Globaal gezien zijn er 3 verschillende scenario’s alvorens uw kat de radiojoodbehandeling krijgt.

  • Geen medicatie: U kiest ervoor om meteen de joodbehandeling te laten uitvoeren. Dit kan bijvoorbeeld wanneer de kat de schildklierremmende medicatie niet wil nemen of niet verdraagt. In dat geval vragen we een uitgebreid  bloedonderzoek  (zie  hoger)  dat maximaal 6 weken oud is. Als het ouder is, laat u een nieuw onderzoek uitvoeren. Een ‘preofperiode’ met schildklierremmers is dus geen verplichting voor de radiojoodtherapie, maar kan bij sommige patiënten sterk aangeraden worden. Dit zal op individuele basis aangeraden worden. 
 
  • Na een korte periode met schildklierremmers: bij sommige patiënten kan raadzaam zijn om gedurende een korte testperiode schildklierremmers te geven, bijvoorbeeld om de nierwerking te kunnen controleren bij een normale hoeveelheid schildklierhormoon, of om de poes te laten aansterken voor de radiojoodbehandeling. Praktisch gaat de proefperiode ongeveer als volgt:
    • De diagnose van hyperthyroïde wordt gesteld bij uw dierenarts (uitgebreid   bloedonderzoek).
    • Periode van ± 3 weken met schildklierremmende medicatie.
    • Bloedonderzoek terwijl de kat nog medicatie krijgt : controle van totaal T4 en nierwaarden (ureum en creatinine), eventueel ook een urineonderzoek in de 3de week.
    • Er kan een afspraak gemaakt worden voor de radiojoodbehandeling.
    • De schildklierremmers worden 10 dagen voor de behandeling stopgezet.
    • Als  het  eerste  bloedonderzoek  (dwz  het  bloedonderzoek  voor  de  periode met medicatie) op het moment van de radiojoodbehandeling niet ouder is dan 6 weken, hoeft er geen extra onderzoek meer te gebeuren. In het andere geval laat u 5 dagen voor de radiojoodbehandeling nog een bloedonderzoek gebeuren (hematologie, biochemie, TT4).
    • Na een langere periode met schildklierremmers: sommige katten krijgen al gedurende langere  tijd  (maanden tot  zelfs  jaren) schildklierremmende medicatie of het jodium-arme dieet. Als u beslist om tot radiojoodbehandeling over te gaan, vragen we u om het volledige dossier van de kat bij uw dierenarts op te vragen en ons te (laten) bezorgen.

 

Er is een recent (minder dan 6 weken oud) bloedonderzoek nodig terwijl de kat nog medicatie krijgt of het dieetvoer eet, met hematologie, biochemie en schildklierwaarde.  Op basis van het dossier van de poes zal beslist worden of de poes 10 dagen kan stoppen met de medicatie / dieetvoer, of zal er een aangepaste periode aangeraden worden.

Om het maken van een afspraak vlot te laten verlopen, dient u ons het dossier en de bloedonderzoeken van de poes op voorhand te bezorgen. Zonder deze gegevens kan er geen afspraak gemaakt worden. Gebruik hiervoor het contactformulier.  

Vraag uw dierenarts om te controleren of het dossier volledig is.

 

Hoe verloopt de radiojoodbehandeling?

 

  • De poes wordt in de dierenkliniek verwacht op maandagvoormiddag (8u30-12u). De eigenlijke behandeling vindt plaats in de namiddag. U hoeft hiervoor niet te blijven.
  • Allereerst wordt er een diagnostische scan van de schildklieren gemaakt: hiervoor wordt de kat geïnjecteerd met een radioactieve stof (pertechnetaat). Deze stof zal opgenomen worden door de schildklier en 20 - 30 minuten later kan een scan gemaakt worden. De scan wordt in de mate van het mogelijke zonder sedatie of anesthesie uitgevoerd, maar bij sommige patiënten is een aneasthesie nodig.  

De scan zal ons een idee geven over de activiteit van de schilklier(en) en de eventuele aanwezigheid van extra schildklierweefsel, dat bij sommige dieren kan voorkomen. 

 Voorbeeld  van  een  scan  van  een  overactieve schildklier. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Voorbeeld van een kat met extra (ectopisch)  weefsel dat zich uitstrekt tot in de borstholte.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  • Na de diagnostische scan volgt de eigenlijke therapie: hiervoor wordt de kat geïnjecteerd met het radioactieve jodium (131I). Na deze injectie wordt de katheter verwijderd, en kan het radiojood zijn werk beginnen doen.
  • De patiënten blijven gehospitaliseerd tot de vrijdag na de behandeling (5 dagen): het radiojood dat terug vrijkomt uit de schildklier of het overtollige radiojood wordt in hoofdzaak uitgescheiden via de urine, het speeksel en de ontlasting. Om de grootste hoeveelheid aan radioactief afval op te vangen blijven de katten dan ook 5 dagen bij ons. De katten kunnen worden opgehaald op vrijdag tussen 9 en 12u.

Brengen of ophalen van de poes buiten de gebruikelijke uren (maandagvoormiddag en vrijdagvoormiddag) kan uitzonderlijk en enkel na uitdrukkelijke afspraken hieromtrent. Voor een langer verblijf wordt een extra  hospitalisatiekost aangerekend.

 

Wat moet er gebeuren na de behandeling, eens de poes terug thuis is?

 

De eerste 2 weken na thuiskomst dienen enkele eenvoudige richtlijnen gevolgd te worden:

  • het contact met de kat moet beperkt worden: ze mag niet mee op bed slapen, niet te lang op schoot houden, ... . Een korte aai of knuffel zijn geen probleem, achteraf was je best wel je handen.
  • Er mag GEEN contact zijn tussen de kat en zwangere vrouwen of jonge kinderen. Houd ook de kattenbak uit hun buurt.
  • Vermijd contact met urine, ontlasting en speeksel. Draag wegwerphandschoenen bij het verversen van de kattenbak en was achteraf grondig uw handen.
  • De inhoud van de kattenbak van de eerste 2 weken na thuiskomst moet apart verzameld en gestockeerd worden gedurende 3 maanden na thuiskomst van de kat (tuinhuis, garage,...). Na deze 3 maanden mag het met het huisvuil meegegeven worden, er is dan geen risico meer op nog eventuele aanwezigheid van radioactiviteit.

Hoe weten we of de behandeling geslaagd is?

Dit gebeurt aan de hand van controle bloedonderzoeken, die bij uw eigen dierenarts uitgevoerd kunnen worden.

We raden een controle bloedonderzoek aan op 1, 3 en 6 maand na de therapie. Vooral de schildklierwaarde (totaal T4) en de nierwaarden (ureum en creatinine) zijn belangrijk.

Vaak ziet u aan de poes zelf wel al sneller beterschap, zoals een mooiere vacht of toename in gewicht.

Daarna raden we een jaarlijkse controle bloedonderzoek aan. U kan daarvoor bij uw dierenarts een routinebloedonderzoek aanvragen voor oude katten, gecombineerd met de schildklierwaarde.

We vragen ook met enige nadruk dat u bij elk bloedonderzoek dat plaatsvindt na de behandeling de resultaten hiervan ook aan ons doorgeeft (of u kan vragen aan uw dierenarts om ons op de hoogte te houden). Deze gegevens kunnen gebruikt worden  om de therapie steeds te verbeteren.

 

Het vertrek naar de Faculteit Diergeneeskunde.

Wat moet ik meebrengen?

  • Katten zijn vaak kieskeurige eters, daarom vragen we om wat voer van thuis mee te brengen.
  • Eventuele medicatie (andere dan schildklierremmers) die uw kat nodig heeft.
  • Sommige eigenaars brengen graag een dekentje/mandje mee met de geur van thuis. U moet echter weten dat we deze niet terug kunnen geven omwille van de radioactieve contaminatie.
  • Alle informatie die u van uw dierenarts krijgt (patiëntenfiche, bloedonderzoeken). Deze informatie hebben we op voorhand nodig - zie hiervoor ‘checklist / contactformulier’.
  • Indien de kat reeds een scan heeft ondergaan in Utrecht of  elders vragen we om daarvan de resultaten mee te brengen of opnieuw vooraf door te mailen.
  • Belangrijk: wanneer u naar hier komt voor de therapie dient de kat nuchter te zijn vanaf zondagavond (eten wegnemen vanaf 22u, water mag wel nog)

Routebeschrijving en contactgegevens

Een routebeschrijving en de contactgegevens kan je hier terugvinden.

Veelgestelde vragen

Een link naar de pagina met FAQ kan je hier terugvinden.